MétaCan
Menu
Retour à la cohorte
Enregistrement W595058813

The history of ANGER : the lexical field of ANGER from Old to Early Modern English

2007· article· en· W595058813 sur OpenAlex

Pourquoi ce travail est dans la base

Une base qui oublie comment elle a trouvé un travail ne peut pas être vérifiée. Voici les voies qui ont admis celui-ci.

aboutLe titre ou le résumé porte un signal canadien du lexique géographique.
no affAucune affiliation canadienne : ce travail est invisible pour une base fondée sur la seule affiliation.
Aucune affiliation canadienne. Une base fondée sur la seule affiliation (le devis habituel) n'aurait jamais vu ce travail. C'est l'un des travaux qui justifient l'inversion de la base.

Notice bibliographique

RevueLirias (KU Leuven) · 2007
Typearticle
Langueen
DomaineArts and Humanities
ThématiqueLexicography and Language Studies
Établissements canadiensnon disponible
Organismes subventionnairesnon disponible
Mots-clésAngerField (mathematics)PsychologyLinguisticsHistorySocial psychologyPhilosophyMathematics
DOInon disponible

Résumé

récupéré en direct d'OpenAlex

De geschiedenis van WOEDE. Het lexicale veld van WOEDE van het Oud- tot het Vroegmodern Engels Deze verhandeling schetst een overzicht van alle uitdrukkingen die werden gebruikt in Oud-, Middel- en Vroegmodern Engelse teksten (a850-c1500) om te verwijzen naar het concept woede. De reconstructie van het geheel van deze uitdrukkingen, het lexicale veld, vormt een basis voor het bestuderen van de achterliggende naamgevingsmotieven en conceptualisaties. Het vertrekpunt van dit onderzoek is de stelling van Lakoff (1987) dat de metafoor WOEDE IS WARMTE, te vinden in uitdrukkingen als to make one’s blood boil of to kindle one’s ire, alomtegenwoordig is in het hedendaagse Engels en dat dit een afspiegeling is van de fysiologische processen die mensen ervaren als ze boos worden (Lakoff 1987:407). Ekman, Levenson & Friesen (1983:1209) hadden namelijk aangetoond dat de lichaamstemperatuur en bloeddruk dan stijgen. Gezien de conceptualisatie gebaseerd is op universele fysiologische processen, stelde Lakoff (1987:407) dat ze te vinden zou zijn doorheen de geschiedenis en over alle talen heen. Lakoffs stellingen werden vanuit verschillende hoeken bekritiseerd. Er werd gewezen op het feit dat conceptualisaties niet rechtstreeks gebaseerd zijn op de menselijke lichaamservaringen, maar dat de interpretatie van die ervaringen onvermijdelijk worden beïnvloed door de cultuur waarin men leeft. Binnen de cognitieve linguïstiek werd Lakoffs stelling vooral gecontesteerd door Geeraerts & Grondelaers (1995), die stelden dat de huidige WARMTE-metaforen overblijfsels kunnen zijn van de humorenleer die in de middeleeuwen een grote invloed had. Deze leer werd uitgedacht door Hippocrates van Kos (5e-4e eeuw v.C.) en verder uitgewerkt door o.a. Galenus (2e eeuw). De centrale idee is dat er vier lichaamsvochten (flegma, bloed, gele gal en zwarte gal) in het menselijke bloed aanwezig zijn en dat een teveel aan één van die humoren niet alleen de oorzaak is van ziektes maar ook van emoties. Volgens de humorenleer wordt woede veroorzaakt door te veel gele gal, een lichaamsvocht dat werd beschouwd als warm en droog en omwille van die kenmerken in verband werd gebracht met vuur. Woede conceptualiseren in termen van warmte en vuur past dus volledig in die leer. De humorenleer moet duidelijk niet als intuïtieve volkswijsheid worden beschouwd, maar als een filosofisch systeem dat zich niet beperkte tot de fysiologische verschijnselen van ziektes en emoties, maar die inbedde in een geheel van complexe kosmologische relaties. De aandacht die Geeraerts & Grondelaers (1995) vragen voor de mogelijke invloed van de humorenleer heeft een ruimere dimensie : ze vragen vooral aandacht voor de intrinsiek historische dimensie van taal en voor de culturele elementen die lexicale en conceptuele patronen kunnen beïnvloeden. Deze verhandeling bestudeert mogelijke invloeden op de WOEDE-conceptualisaties in het Engels op basis van de lexicale en conceptuele velden van WOEDE in het Oud-, Middel- en Vroegmodern Engels. Voor deze reconstructies werden uitgebreide corpora gebruikt, namelijk het Toronto Corpus met alle Oudengelse teksten en een zo exhaustief mogelijke verzameling van teksten daterend rond 1200, 1300, 1400 en 1500. Het feit dat dit onderzoek volledig gebaseerd is op corpora onderscheidt het van de meeste andere recente woordveldstudies, die meestal gebaseerd zijn op woordenboeken of thesauri (Chase 1983, 1988, Thornton 1988, Sylvester 1991, 1994 en Coleman 1992, 1994). Het onderscheidt zich ook van deze studies en van de andere diachrone studies over cognitieve metaforen (Tissari 2003, Kleparski 1990, 1997, 2004, Fabiszak 1999, 2002, Romano 1999 en Allan 2006) doordat het puur onomasiologisch en kwantitatief is van opzet. Het beoogt dus geen semasiologische betekenisanalyse van de verschillende WOEDE-uitdrukkingen. Het gaat wel na welke uitdrukkingen er gebruikt werden om naar WOEDE te verwijzen en hoe vaak ze werden gebruikt. De kwantitatieve analyses tonen aan dat er heel wat veranderingen zijn in het lexicale veld van WOEDE door de eeuwen heen, terwijl het conceptuele veld weinig verandert, behalve op het niveau van de frequentie van de individuele conceptualisaties. Nieuwe lexicale elementen reflecteren dus meestal bestaande conceptualisaties, ook als het gaat om leenwoorden. De speciale conceptualisaties worden niet zo vaak gebruikt : het grootste deel van het lexicale veld wordt ingenomen door uitdrukkingen die letterlijk naar het concept WOEDE verwijzen, namelijk irre en belgan in het Oudengels, ire en wrathe in het Middelengels en wrath and anger in het Vroegmodern Engels. Binnen de groep van niet-letterlijke uitdrukkingen, die gemiddeld ongeveer 37% van het woordveld innemen, gaat het ook vaak om hyperonymische of metonymische naamgevingspatronen terwijl metaforen maar ongeveer 23% van de groep uitmaken. Dit komt neer op ongeveer 9% van het hele woordveld, wat weinig is gezien het feit dat de cognitieve linguïstiek bijzonder veel aandacht besteedt aan metaforen en stelt dat ze alomtegenwoordig zijn. De analyses van de woede-uitdrukkingen geven aan dat deze stelling zou moeten worden bijgesteld. De mogelijke culturele invloeden in de lexicale en conceptuele velden van WOEDE worden onderzocht in vier deelstudies. Ten eerste wordt de hypothese onderzocht waarin Diller (1994) stelt dat de uitdrukking anger omstreeks 1400 werd gebruikt als antwoord op socio-culturele veranderingen. Volgens deze hypothese zou wrathe de oudere vorm van woede benoemen, namelijk die van personen met een hoge sociale status, van wie de publieke waardigheid wordt aangevallen en van wie de status het toelaat op een gewelddadige manier hun woede te vergelden. Anger zou dan verwijzen naar een nieuwe vorm van woede, namelijk die van personen uit lagere sociale klassen, van wie persoonlijke waarden worden aangevallen en die op een minder gewelddadige manier reageren. Deze semantische kenmerken worden, samen met een aantal stilistische kenmerken die niet a priori kunnen worden uitgesloten, onderzocht voor de attestaties vanire, wrathe en anger omstreeks 1300, 1400 en 1500. De analyses tonen aan dat anger significant vaker wordt gebruikt in niet-Romaanse en niet-religieuze teksten. Uit semasiologische analyses blijkt anger ook vaker te verwijzen naar personen uit de lagere sociale klassen, naar situaties waarin persoonlijke waarden worden aangevallen en naar minder gewelddadige reacties. Of er persoonlijke dan wel publieke waarden in het spel zijn is heel erg een kwestie van interpretatie. Die analyses moeten dus met de nodige omzichtigheid benaderd worden, ook omdat voor die semantische kenmerken het corpus dat Diller (1994) gebruikte, namelijk alle werken van Chaucer, ook een bijzonder groot deel uitmaakt van de attestaties die worden gebruikt voor dit onderzoek. Maar globaal schijnen de semasiologische analyses die van Diller (1994) te bevestigen. Wanneer echter de cijfers onomasiologisch worden geanalyseerd is het beeld anders: hoewel de semantische kenmerken die Diller (1994) suggereerde omstreeks 1400 vaker voorkomen bij anger dan bij ire en wrath, worden ze toch hoofdzakelijk door de laatste twee uitgedrukt. Bovendien gebeurde dat ook al rond 1300 en worden die kenmerken juist minder uitgedrukt rond 1400 dan omstreeks 1300 en 1500. Het is dus weinig waarschijnlijk dat anger werd geïntroduceerd omdat die semantische kenmerken niet konden worden uitgedrukt door de bestaande uitdrukkingen en er dus een “lexical gap” was. Ook stilistisch lijken er geen beperkingen te hebben bestaan op het gebruik van ire en wrathe zodat anger ook niet om stilistische redenen werd gebruikt. De hypothese dat het woordveld werd beïnvloed door socio-culturele veranderingen lijkt dus maar gedeeltelijk te kloppen. Twee deelstudies onderzoeken een tweede vorm van culturele invloed, namelijk die van de Romaanse talen. In de Oudengelse periode werden veel Latijnse werken vertaald terwijl het Middelengels en het Vroegmoderne Engels een grote toevloed van Romaanse (een verzamelnaam voor Frans, Anglo-Normandisch, Frans of Latijns, enz.) leenwoorden kenden. In de Oudengelse corpora werden de frequenties van de verschillende uitdrukkingen en conceptualisaties vergeleken tussen origineel Engelse teksten, teksten gebaseerd op Latijnse bronnen en vertalingen uit het Latijn. Daaruit blijkt dat sommige conceptualisaties typisch zijn voor teksten met een Latijnse oorsprong en niet voorkomen in origineel Engelse teksten. Deze analyses worden bevestigd door een vergelijking tussen de uitdrukkingen gebruikt in de Engelse en de Latijnse teksten. Voor de conceptualisaties WARMTE, STERKE EMOTIE, PIJN, BEWEGING (en wellicht ook TROTS, KRANKZINNIGHEID en ZWAARTE) is de correlatie tussen beide bijzonder hoog. Dit toont aan dat er een grote invloed geweest is van de Latijnse bronteksten. Wanneer de Romaanse leenwoorden hun intrede doen in het Middelengels blijken ze vooral dezelfde conceptualisaties te vertonen, waardoor hun frequentie voor de tweede keer toeneemt. De enige uitzondering daarop vormt de ONTEVREDENHEID-conceptualisatie, met als voornaamste vertegenwoordiger displease. Deze conceptualisatie werd niet gepromoot door de Latijnse teksten in het Oudengels, maar is voornamelijk toe te schrijven aan latere Franse leenwoorden. Deze conceptualisatie is bijzonder belangrijk omstreeks 1500. Tenslotte wordt de WARMTE-conceptualisatie nader bestudeerd. Uit de analyse van de invloed van de Latijnse en Romaanse talen bleek al dat deze globaal niet frequente conceptualisatie een typisch verschijnsel was van teksten die op Latijnse of Romaanse teksten zijn gebaseerd. De teksten waarin deze conceptualisatie voorkomt zijn niet enkel Latijnse of Romaanse, maar gedurende de hele Oud- en Middelengelse periode ook religieuze teksten. Daarom is het ook mogelijk dat ze aan deze laatste factor moeten worden toegeschreven. Vooral de VUUR-conceptualisatie zou ook door bijbels gebruik beïnvloed kunnen zijn. Uit de analyses van de contexte

Récupéré en direct depuis OpenAlex et désinversé. Les résumés ne sont pas conservés dans cette base de données : les index inversés représentent 8,6 Go des 9,3 Go de texte de la base, et le serveur dispose de 13 Go libres.

Prédiction distillée sur la base complète

Imitation des enseignants

Ni prévalence calibrée, ni vérité terrain. Validation humaine à venir. Apprise à partir de 10 348 étiquettes directes de Codex et de 10 348 étiquettes directes de Gemma. Le mode candidate est l'union des têtes enseignantes seuillées; le consensus est leur intersection. Ces sorties portent le statut machine_predicted_unvalidated et ne sont ni des étiquettes humaines ni des étiquettes directes de modèles de pointe.

score de la tête « metaresearch » (Codex)0,000
score de la tête « metaresearch » (Gemma)0,000
Version: codex-gemma-dda1882f352aStatut de validation: machine_predicted_unvalidated
Catégories candidatesaucune
Catégories consensuellesaucune
DomaineSignal candidat: aucune · Signal consensuel: aucune
Devis d'étudeSignal candidat: Sans objet · Signal consensuel: aucune
GenreSignal candidat: Empirique · Signal consensuel: Empirique
Score de désaccord entre enseignants0,865
Score d'incertitude au seuil0,762

Scores Codex et Gemma par catégorie

CatégorieCodexGemma
Métarecherche0,0000,000
Méta-épidémiologie (sens strict)0,0000,000
Méta-épidémiologie (sens large)0,0000,000
Bibliométrie0,0000,000
Études des sciences et des technologies0,0000,000
Communication savante0,0000,000
Science ouverte0,0000,000
Intégrité de la recherche0,0000,000
Charge utile insuffisante (le modèle a refusé de juger)0,0010,000

Scores machine (provisoires)

Les deux têtes enseignantes du modèle étudiant, lues sur ce travail. Un score ordonne la base pour la relecture; il n'affirme jamais une catégorie, et le statut de validation accompagne chaque rangée tel quel.

Scores de référence d'un modèle non mature (critères de maturité non atteints, 7 itérations). Un score ordonne; il n'affirme jamais une catégorie.

Tête enseignante Opus0,023
Tête enseignante GPT0,228
Écart entre enseignants0,205 · la distance entre les deux têtes enseignantes sur ce seul travail
Statut de validationscore_only:v0-immature-baseline · tel quel depuis la passe de notation : score_only signifie que le nombre peut ordonner les travaux, et qu'aucune étiquette de catégorie n'en découle