Depletion and Natural Variability of the Ozone Layer\n from TOMS Observations
Notice bibliographique
Résumé
Een statistische trendanalyse van de TOMS totale ozongegevens is uitgevoerd vanaf november 1978 t/m juni 1994. De tijdafhankelijkheid van de ozonkolom is beschreven met een model, dat rekening houdt met seizoenafhankelijkheid, lineaire antropogene trend, quasi-biennale oscillaties (QBO), invloed van de 11-jarige zonnecyclus, en de maand tot maand correlaties in ozonwaarden. Jaarlijkse en maandelijkse trends, QBO coefficienten en zonnecyclus-coefficienten zijn berekend voor alle roostercellen (1 graad breedte x 1.25 graad lengte) van de TOMS ozonkolom-gegevens en voor zonale gemiddelden over banden van 10 graden breedte. Zonaal gemiddelde ozontrends zijn gegeven in de vorm van tabellen in appendix E. De jaarlijkse afbraaktrend is -4.4+-2.7% per decennium in het 50 graden N-60 graden N breedtegebied. De maximale ozonafbraak op deze breedtes (-8.2+-3.3% per decennium) vindt plaats in februari, de minimale afbraak (-2.9+-2.7% per decennium) in augustus. Processen die tot lage ozonwaarden leiden zijn gereviewed. Na de Pinatubo-uitbarsting zijn de lange termijn jaarlijkse ozontrends ongeveer 1% per decennium negatiever geworden in het noordelijke halfrond en in de tropen. Maandelijkse trends in de winter en voorjaar waren ongeveer 2% per decennium negatiever op de gematigde breedten van het noordelijke halfrond dan voor de Pinatubo-uitbarsting. Er was geen substantiele verandering in ozontrends bij gematigde breedten op het zuidelijke halfrond. De toename in de snelheid van ozonafbraak na de Pinatubo-uitbarsting is grotendeels het resultaat van de versnelling van heterogene "denoxificatie" reacties op de oppervlakte van aerosoldeeltjes, in combinatie met de aanwezigheid van chloor vanuit CFK emissies. De maximale jaarlijkse ozonafbraak boven het noordelijke halfrond (-6% per decennium) wordt gevonden boven Groot-Brittannie, het zuiden van Noorwegen en Zweden, sommige noordelijke en oostelijke gedeelten van Rusland, en de westkust en het noordelijke gedeelte van Canada. De grootste ozonafbraak bij hoge noordelijke breedten vindt plaats in maart. Gebieden boven Groot-Brittannie, het noorden van Frankrijk, de Benelux, het noordelijke gedeelte van Scandinavie en grote gedeelten van Rusland vertoonden sterke trends van ongeveer -10% per decennium en meer. Er zijn ook gebieden van grotere ozonafbraak boven het westelijke gedeelte van Verenigde Staten, het noordelijke gedeelte van Canada, en gebieden boven de Stille en Atlantische Oceaan. Maandelijkse trends van september tot november bij hoge breedten op het zuidelijke halfrond laten een sterke ozonafbraak zien van meer dan 10% per decennium in bijna het hele gebied ten zuiden van 60 graden S. De ozonafbraak bereikt zijn maximum in oktober, wanneer de trends in het polaire gebied ongeveer -30% per decennium waren, en die boven het meest zuidelijke gedeelte van Zuid-Amerika en de Falklands ongeveer -10% per decennium. Het jaarlijks verschil tussen de maximale en minimale QBO in ozon (ongeveer 3-4% van de ozonkolom) kan een gedeelte van meerjarige variaties in de totale ozon verklaren. In het voorjaar van 1993 verminderde de totale ozon door de aanwezigheid van Pinatubo-aerosolen en bovendien door de QBO. In het voorjaar van 1994 was de QBO positief en droeg zo bij tot het herstel van de normale totale ozonwaarden. Uitersten van de zonnecyclus zijn verantwoordelijk voor 1% tot 2% verandering in de ozonkolom. Ook is een vergelijking van TOMS ozondata en trends als functie van breedte en seizoen met resultaten van het RIVM 2D stratosfeermodel gepresenteerd.
Récupéré en direct depuis OpenAlex et désinversé. Les résumés ne sont pas conservés dans cette base de données : les index inversés représentent 8,6 Go des 9,3 Go de texte de la base, et le serveur dispose de 13 Go libres.
Comment cette classification a été obtenuedéplier
Prédiction distillée sur la base complète
Imitation des enseignantsNi prévalence calibrée, ni vérité terrain. Validation humaine à venir. Apprise à partir de 10 348 étiquettes directes de Codex et de 10 348 étiquettes directes de Gemma. Le mode candidate est l'union des têtes enseignantes seuillées; le consensus est leur intersection. Ces sorties portent le statut machine_predicted_unvalidated et ne sont ni des étiquettes humaines ni des étiquettes directes de modèles de pointe.
Scores Codex et Gemma par catégorie
| Catégorie | Codex | Gemma |
|---|---|---|
| Métarecherche | 0,001 | 0,000 |
| Méta-épidémiologie (sens strict) | 0,000 | 0,000 |
| Méta-épidémiologie (sens large) | 0,001 | 0,000 |
| Bibliométrie | 0,000 | 0,000 |
| Études des sciences et des technologies | 0,001 | 0,001 |
| Communication savante | 0,000 | 0,000 |
| Science ouverte | 0,000 | 0,000 |
| Intégrité de la recherche | 0,000 | 0,000 |
| Charge utile insuffisante (le modèle a refusé de juger) | 0,000 | 0,000 |
Scores machine (provisoires)
Les deux têtes enseignantes du modèle étudiant, lues sur ce travail. Un score ordonne la base pour la relecture; il n'affirme jamais une catégorie, et le statut de validation accompagne chaque rangée tel quel.
Scores de référence d'un modèle non mature (critères de maturité non atteints, 7 itérations). Un score ordonne; il n'affirme jamais une catégorie.
score_only:v0-immature-baseline · tel quel depuis la passe de notation : score_only signifie que le nombre peut ordonner les travaux, et qu'aucune étiquette de catégorie n'en découleClassification
machine, non validéePrédiction automatique; un appel candidat d’une seule tête enseignante, pas un consensus.
Le détail, modèle par modèle et score par score, se trouve en fin de page sous « Comment cette classification a été obtenue ».