MétaCan
Menu
Back to cohort
Record W7004859654

Openbare orde in de Europese Unie.

2009· article· nl· W7004859654 on OpenAlexaboutno aff

Bibliographic record

VenueLirias (KU Leuven) · 2009
Typearticle
Languagenl
FieldMedicine
TopicBiological and pharmacological studies of plants
Canadian institutionsnot available
Fundersnot available
KeywordsPrivate enterpriseEuropean unionDistribution board
DOInot available

Abstract

fetched live from OpenAlex

Dit proefschrift onderzoekt de positie van het concept ‘openbare orde’, waarmee ik verwijs naar het complex van normen die de kern vormen van een politieke entiteit (in dit geval de EU) en een reflectie bieden van de fundamentele en beschermingswaardige keuzes van die entiteit met betrekking tot de politieke, economische, sociale en culturele orde van die entiteit. Eens is aangetoond dat dit concept een plaats heeft in de rechtsorde van de EU moeten verdere vragen worden beantwoord, zoals de vraag hoe dit concept in de praktijk moet worden gebracht, de vraag welke waarden er precies worden beschermd en de vraag hoe dit alles zich verhoudt tot gelijkaardige concepten in de rechtsordes van de 27 Lidstaten van de Unie. De overkoepelende stelling van dit proefschrift is dat de Europese Unie inderdaad een eigen openbare orde concept heeft dat weliswaar geïnspireerd is op het concept van de Lidstaten maar niettemin toch autonoom is. Bovendien kan de inhoud van dit concept worden geïdentificeerd en is het mogelijk om de praktische gevolgen van de status als norm van openbare orde van de Unie te differentiëren in functie van de procescontext, en de verschillende betrokken actoren, in het bijzonder de Lidstaten, de EU instellingen en private partijen. In Deel I van het proefschrift worden contouren van een concept van openbare orde op het niveau van de Europese Unie in beeld gebracht. In een eerste hoofdstuk wordt geargumenteerd dat het noodzakelijk is dat een dergelijk concept bestaat op het niveau van de Unie. Daarbij wordt in de eerste plaats gewezen op het feit dat alle zes stichtende Lidstaten in hun interne recht verwante begrippen kennen. Ten tweede is het begrip ook van belang in de context van het IPR en het internationale handelsrecht, twee domeinen waarop de Unie zelf een bijzondere impact heeft. Ten derde is het concept ook verwant aan concepten uit het internationaal publiekrecht, zoals jus cogens en internationale misdrijven; dit moet uiteraard een weerslag hebben op de EU als internationale organisatie. Ten vierde, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het hart van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) een ‘European Public Order’ geïdentificeerd met de harde kern van de grondrechtenbescherming in een democratische rechtsstaat. Aangezien alle Lidstaten partij zijn bij het EVRM lijkt het cruciaal dat ook dit concept wordt gereflecteerd binnen de EU rechtsorde. Tegen deze achtergrond worden in een tweede hoofdstuk enkele bespiegelingen gemaakt over hoe het concept openbare orde dat oorspronkelijk ontwikkeld is in de context van klassieke natiestaten kan worden overgeplant naar een autonome multi-level rechtsorde zoals de Europese Unie. In het bijzonder worden vier mogelijke situaties naar voor geschoven over de mogelijke verhouding tussen het openbare orde concept in de Unie en de gelijkaardige concepten van de Lidstaten. Elk van deze situaties onthult iets over de mogelijke inhoud, in het bijzonder de waarden die beschermd worden, en de autonomie van het concept openbare orde in de EU. In de eerste plaats, is er een kleine categorie met normen die heel specifiek zijn voor de EU rechtsorde, met onder meer normen over bevoegdheden, de instellingen en de euro, ook al is er daar vaak een analogie mogelijk met de lidstaten. In de tweede plaats zijn er die gevallen waarbij de waarden uit de nationale rechtsordes en de EU rechtsorde samenvallen; dat is onder meer het geval bij de grondrechten uit het EVRM die ook ik het kader van het Handvest van de Grondrechten van de Unie worden beschermd. Ten derde zijn er waarden die veeleer specifiek zijn voor een bepaalde Lidstaat, maar niettemin door de Unie worden getolereerd. Mooie voorbeelden zijn het Ierse abortusbeleid zoals aan de orde in de zaak Grogan of het Duitse concept van menselijke waardigheid dat centraal stond in de zaak Omega Spielhallen, twee zaken die ook doorheen het proefschrift uitvoerig aan bod komen. Ten slotte is het niet ondenkbaar dat bepaalde nationale waarden niet verenigbaar blijken met het lidmaatschap van de EU. Deze vier scenario’s zetten de toon voor de diepere analyse in de overige delen van het proefschrift, waar gepeild wordt naar de inhoud van de openbare orde van de Unie en de relatie tussen het Unieconcept en de grondwaarden van de Lidstaten, waarbij de nadruk wordt gelegd om enkel sleutelbegrippen van EU constitutioneel recht, zoals grondrechten, voorrang, subsidiariteit en nationale procedurele autonomie. Als laatste voorbereidende stap voor die analyse worden in het derde hoofdstuk nog enkele methodologische keuzes naar voor geschoven over de manier waarop die verhouding het best kan worden geanalyseerd. De keuze valt op een analyse van de rechtspraak van het Hof van Justitie, die niet ongevoelig is voor de rechtscheppende rol van Hof van Justitie Deel II van het proefschrift biedt een overzicht van de verschillende contexten waarin het begrip openbare orde – of verwante concepten – een rol speelt in het EU recht. In een eerste hoofdstuk wordt dieper ingegaan op verwijzingen naar het concept in het EU-Verdrag en het EG-Verdrag. In de eerste plaats volgt een analyse van de openbare orde uitzonderingen in het kader van het vrij verkeer. Hoewel auteurs hier eerder ruim aandacht aan hebben besteed, was er toch de mogelijkheid om enkele nieuwe accenten te leggen, in het bijzonder met betrekking tot de relatie tussen het vrij verkeer van personen en de bepalingen van de Schengen-Overeenkomst en met betrekking tot het gebruik van de term ‘openbare orde’ in het kader van het burgerschap van de Unie. Bovendien wordt geargumenteerd dat het concept openbare orde wat moet worden genuanceerd als het Hof van Justitie verder het pad bewandelt dat lijkt ingeslagen met de arresten Laval en Viking waarbij de bepalingen over het vrij verkeer ook kunnen worden ingeroepen tegen quasiprivate personen, zoals vakbonden, die vaak een hybride rol hebben als partners in het sociaal overleg met niettemin ook een zekere anti-establishment rol. Voor die gevallen schuift het proefschrift naast de openbare orde uitzondering ook een exception de désordre privé naar voor. Verder wordt ook toegelicht wat de rol van het concept is in de context van het mededingingsrecht, waar geen expliciete analoge uitzondering bestaat. Ten slotte wordt ook gekeken naar de algemene derogatiebepaling van Artikel 297 EG-Verdrag en de heel specifieke uitzonderingen op de bevoegdheid van het Hof van Justitie op het domein van de Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht. Een tweede hoofdstuk focust op de actie die de EU zelf onderneemt om de basiskeuzes met betrekking to de politieke, economische, sociale en culturele orde te beschermen. In dit verband wordt aandacht besteed aan hoe de openbare orde aan bod komt in de context van harmonisatiemaatregelen. Bijzondere nadruk wordt gelegd op de graduele ontwikkeling van een EU strafrecht. In het proefschrift wordt de stelling verdedigd dat het EU strafrecht, enerzijds, een indicatie biedt van welke waarden de Unie zo fundamenteel acht dat ze via het strafrecht moeten worden beschermd, terwijl anderzijds, de constitutionele waarborgen die in het kader van dit strafrecht worden herbevestigd minstens evenzeer als deel van de openbare orde van de Unie moet worden beschouwd. Een derde hoofdstuk handelt over de rol van concepten gelieerd aan de openbare orde in de internationale betrekkingen van de Unie. Een korte sectie behandelt de status van jus cogens normen in de EU rechtsorde, onder meer in het kader van het – weliswaar recent hervormde – arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg in de zaken Yusuf en Kadi. Veel meer aandacht gaat naar het gebruik van het concept openbare orde in de context van de verschillende IPR instrumenten, in het bijzonder Verordening 44/2001, die de Unie de voorbije jaren heeft aangenomen. De stelling wordt naar voor geschoven dat de openbare orde uitzondering in die instrumenten vooral dient als ultimum remedium om systeemgebreken op te vangen. Vaak zullen die betrekking hebben op een schending van de rechten van verdediging, zoals in Krombach, maar de stelling is verdedigd dat er ook omstandigheden kunnen zijn waar een vonnis of arrest dat is gewezen met duidelijke miskenning van een kwestie van EU recht, en waarbij ook het hoogste rechtscollege geweigerd heeft om volgens de voorwaarden van het arrest CILFIT de kwestie voor te leggen aan het Hof van Justitie. De stelling dat de openbare orde een instrument kan bieden om systeemgebreken op te vangen wordt in een veel ruimere context verder uitgewerkt in het vierde hoofdstuk van het tweede deel, waarbij die stelling gebruikt wordt om het evenwicht te verklaren tussen voorrang en nationale procedurele autonomie, en om een gefundeerd antwoord te geven op een reeks procedurele vragen, zoals de vraag wanneer rechters uit eigen beweging normen van EU recht moeten opwerpen, zowel in ex equatur procedures als in normale geschillen; of de vraag wanneer een nationale rechter het res judicata effect van een nationaal vonnis of arrest aan de kant moet schuiven. In het bijzonder het vraagstuk van de ambtshalve toepassing van het EU recht krijgt ruime aandacht. Enerzijds wordt een verklaring geboden voor de vele, schijnbaar tegenstrijdige, arresten van het Hof van Justitie waarbij nationale rechters afwisselend wel en niet worden verplicht om bepaalde normen uit eigen beweging op te werpen. Naaste de beginselen van gelijkwaardigheid en effectiviteit, als uitzonderingen op het beginsel van nationale procedurele autonomie, wordt daarbij ook gewezen op het vereiste van effet utile van bepaalde EU wetgeving, in het bijzonder op het gebied van consumentenbescherming. Anderzijds wordt ook geanalyseerd wanneer de EU rechtscolleges ambtshalve normen van EU recht moeten opwerpen, zowel in rechtstreekse beroepen als in prejudiciële procedures. De focus van de sectie is op de situatie de lege lata, waarbij er niettemin voor een vrij liberale aanpak wo

Fetched live from OpenAlex and de-inverted. Abstracts are not stored in this database: the inverted indexes are 8.6 GB of the frame’s 9.3 GB of text, and the host has 13 GB free.

How this classification was reachedexpand

Full frame distilled prediction

Teacher imitation

Not calibrated prevalence, not ground truth. Human validation pending. Learned from the 10,348 direct Codex labels and 10,348 direct Gemma labels. Candidate is the union of thresholded teacher heads; consensus is their intersection. These outputs are machine_predicted_unvalidated and are not human labels or direct frontier model labels.

metaresearch head score (Codex)0.001
metaresearch head score (Gemma)0.001
Version: codex-gemma-dda1882f352aValidation status: machine_predicted_unvalidated
Candidate categoriesMeta-epidemiology (narrow), Insufficient payload (model declined to judge)
Consensus categoriesInsufficient payload (model declined to judge)
DomainCandidate signal: none · Consensus signal: none
Study designCandidate signal: Not applicable · Consensus signal: none
GenreCandidate signal: Empirical · Consensus signal: Empirical
Teacher disagreement score0.473
Threshold uncertainty score1.000

Codex and Gemma teacher scores by category

CategoryCodexGemma
Metaresearch0.0010.001
Meta-epidemiology (narrow)0.0000.000
Meta-epidemiology (broad)0.0010.000
Bibliometrics0.0000.001
Science and technology studies0.0000.000
Scholarly communication0.0000.000
Open science0.0010.000
Research integrity0.0000.001
Insufficient payload (model declined to judge)0.0070.005

Machine scores (provisional)

The two teacher heads of the student model, read on this work. A score orders the frame for review; it never asserts a category, and the validation status ships verbatim with every row.

Baseline scores from an immature model (maturity gate not passed, 7 training rounds). Scores rank; they never assert a category.

Opus teacher head0.045
GPT teacher head0.335
Teacher spread0.290 · how far apart the two teachers sit on this one work
Validation statusscore_only:v0-immature-baseline · verbatim from the scoring run: score_only means the number may rank works, and no category label ships from it

Classification

machine, unvalidated

Machine predicted; both teacher heads agree on what is shown here.

Study designNot applicable
Domainnot available
GenreEmpirical

How this classification was reached, model by model and score by score, is at the end of the page under "How this classification was reached".

Quick stats

Citations0
Published2009
Admission routes1
Has abstractyes

Explore more

Same venueLirias (KU Leuven)Same topicBiological and pharmacological studies of plantsFrench-language works237,207