MétaCan
Menu
Back to cohort
Record W7070431216

Percutaneous tibial nerve stimulation in lower urinary treat disorders

2007· dissertation· nl· W7070431216 on OpenAlex

Why this work is in the frame

A frame that forgets how it found something cannot be audited. These are the routes that admitted this work.

aboutThe title or abstract carries a Canadian signal from the geographic lexicon.
no affNo Canadian affiliation: this work is invisible to an affiliation-only frame.
No Canadian affiliation. An affiliation-only frame, the usual design, would never have seen this work. It is one of the works that make the case for inverting the frame.

Bibliographic record

VenueDigital Academic REpository of VU University Amsterdam (Vrije Universiteit Amsterdam) · 2007
Typedissertation
Languagenl
FieldComputer Science
TopicComputational Physics and Python Applications
Canadian institutionsnot available
Fundersnot available
KeywordsNucleofectionHyporeflexiaWork (physics)
DOInot available

Abstract

fetched live from OpenAlex

Synopsis Wanneer bij disfunctie van de lagere urinewegen conservatieve behandeling faalt en operatieve therapie met al haar nadelen opdoemt aan de horizon, kan neuro-modulatie een welkom alternatief zijn. Tot nu toe is sacrale neuromodulatie van de vele methoden onderzocht in de laatste jaren het succesvolst gebleken. Het betreft hier echter een dure techniek die speciale vaardigheden vereist. Het zal dan ook niemand verbazen dat de zoektocht naar nog betere alternatieven voortgaat. Dit proefschrift richt zich op een van de meest recente neuromodulatievormen: de percutane stimulatie van de nervus tibialis ofwel Percutaneous Tibial Nerve Stimulation (PTNS). Hoofdstuk 1 Neurostimulatie- en -modulatietechnieken zijn niet nieuw. Spoedig na de ontdekking van elektriciteit werden de mogelijkheden voor toepassing binnen de geneeskunde al onderzocht. In dit hoofdstuk wordt het gebruik van elektrische stimulatie en neuromodulatie voor de behandeling van patiënten met disfunctie van de lagere urinewegen door de jaren heen beschreven. Informatie over behandelprocedures, stimulatieparameters, klinische resultaten, maar ook specifieke voor- en nadelen passeren de revue. Dientengevolge kan men lezen over verscheidene vormen van elektrische stimulatie van de blaas, van de nervi pudendi, over transcutane elektrische zenuwstimulatie of TENS en over elektrische stimulatie van het sacrale ruggenmerg of zijn wortels en tenslotte over elektrische stimulatie van de onderste extremiteit inclusief haar modernste variant, PTNS. Uit dit hoofdstuk kan worden geconcludeerd dat in veel publicaties relevante informatie ontbreekt en dat goede, gerandomiseerde en placebogecontroleerde studies zeldzaam zijn. Hierdoor is het amper mogelijk de verschillende modulatie-technieken met elkaar te vergelijken dan wel naar waarde te schatten. Bovendien bestaat er een aanzienlijke variatie in gerapporteerde behandelschema’s en -para-meters, maar ook in criteria voor succes, wat een verdere barrière vormt voor een goede vergelijking van studies zowel over verschillende neuromodulatievormen als over identieke technieken onderling. Tenslotte zijn patiëntengroepen in de studies beschreven niet uniform, voornamelijk waar het gaat om definitie en duur van de klachten en de eerder toegepaste therapieën. Buiten het feit dat dit de onderlinge vergelijking nog eens verder bemoeilijkt, staat het ook de determinatie van prognostische factoren voor een succesvol behandelresultaat in de weg. Desalniettemin kan men in het algemeen stellen dat neuromodulatie resulteert in een 30-50% kans op klinisch succes (‘intention to treat’). Het beïnvloeden van de innervatie van de lagere urinewegen op het niveau van de sacrale wortels blijkt tot op heden het meest solide, zowel bij neurologische als bij niet-neurologische patiënten. Het heeft het voordeel van een testmogelijkheid vóór definitieve implantatie, waardoor een striktere patiëntenselectie kan plaatsvinden met als gevolg een verbetering van het behandelresultaat, het nadeel is echter de invasiviteit. Niet-invasieve technieken ontberen screeningsmogelijkheden en in geval van succes zijn patiënten vrijwel altijd gebonden aan een onderhoudsbehandeling. Het is tegen deze achtergrond dat de ontwikkeling en de mogelijk klinische waarde van de nieuwe neuromodulatietechniek PTNS dient te worden bezien. Hoofdstuk 2 Om de mogelijke waarde van PTNS te onderzoeken werd allereerst een haalbaarheidsstudie uitgevoerd bij 49 patiënten met overactieve blaas of niet-obstructieve urineretentie, indicaties bekend van andere neuromodulatievormen. PTNS werd in een prospectieve, multicentrische studie geëvalueerd bij 37 patiënten met symptomen van een overactieve blaas (dat wil zeggen: urgency/frequency syndroom en/of urge incontinentie) en 12 met niet-obstructieve urineretentie. Data werden verzameld met behulp van mictiedagboeken en ‘kwaliteit van leven’- vragenlijsten voor en na behandeling. Patiënten werden ingedeeld in responders, zij die succesvol reageerden op de therapie en na de initiële 12 weken verkozen door te gaan, en niet-responders, zij die de behandeling staakten. Een positieve respons werd gezien bij 60% van de patiënten. Bij patiënten met overactieve blaas werd een statistisch significante daling gezien van het aantal incontinentie-episodes, gebruikte verbandjes, mictiefrequentie en de nycturie, terwijl een vergelijkbare stijging werd gezien in het gemiddelde en het kleinste geplaste volume. Bij niet-obstructieve urineretentie werden eveneens veranderingen gezien in het aantal katheterisaties, het gemiddelde en totale gekatheteriseerde volume en het gemiddelde en totale geplaste volume. Ziektespecifieke ‘kwaliteit van leven’-vragenlijsten en enkele domeinen van de algemene ‘kwaliteit van leven’-vragenlijst verbeterden, vooral bij blaasoveractiviteit. Slechts zeer milde bijwerkingen werden waargenomen. Aangemoedigd door deze resultaten werden verschillende indicatiegebieden meer in detail bestudeerd. Evaluatie van blaasoveractiviteit en niet-obstructieve urineretentie vond plaats door Vandoninck et al. 1,2 Dit hoofdstuk presenteert de uitkomsten van PTNS als behandeling van chronische bekkenpijn. In een prospectieve, multicentrische studie werd PTNS geëvalueerd bij 33 patiënten met deze aandoening. Effecten werden gevolgd middels Visual Analogue Scale (VAS) voor pijn dagboeken, de McGill pijn vragenlijst en de SF-36 vragenlijst voor de algemene kwaliteit van leven, afgenomen voor en na 12 weken therapie. Subjectieve respons was gedefinieerd als boven beschreven (het verzoek van patiënt het behaalde resultaat te behouden middels onderhoudsbehandeling), maar nu werd ook een meer objectief responscriterium (daling van het gemiddelde VAS van meer dan 50% en een VAS van minder dan 3 na behandeling) geïncludeerd. Een subjectieve respons werd bij 42% van de patiënten gezien. Bij 7 patiënten (21%) daalde de gemiddelde VAS meer dan 50%, in nog eens 6 gevallen (18%) met meer dan 25%. Na 12 weken therapie eindigden 7 patiënten (21%) met een VAS onder de 3. In de gehele patiëntengroep verbeterde de kwaliteit van leven (SF-36) significant, net als de totale pijn intensiteit (McGill). Deze zeer bescheiden resultaten zijn in overeenstemming met uitkomsten van andere neuromodulatievormen bij chronische bekkenpijn. Tenslotte werd onderzocht in hoeverre, voor de drie indicatiegebieden gecombineerd, een succesvolle PTNS therapie ook een verbetering van het seksueel functioneren tot gevolg had. Hiertoe werden 121 met PTNS behandelde patiënten met een overactieve blaas (N=83), chronische bekkenpijn (N=23) of niet-obstructieve urineretentie (N=15) geëvalueerd. Om informatie te verkrijgen over het seksueel functioneren werd een gestandaardiseerde vragenlijst door patiënten ingevuld voor en na 12 weken PTNS. Voorafgaand aan de therapie werden diverse aspecten van het seksueel functioneren als afwijkend beschouwd in 25,3 tot 45,6% van de gevallen. Dit verbeterde significant na behandeling. Patiënten die het meest profiteerden waren

Fetched live from OpenAlex and de-inverted. Abstracts are not stored in this database: the inverted indexes are 8.6 GB of the frame’s 9.3 GB of text, and the host has 13 GB free.

Full frame distilled prediction

Teacher imitation

Not calibrated prevalence, not ground truth. Human validation pending. Learned from the 10,348 direct Codex labels and 10,348 direct Gemma labels. Candidate is the union of thresholded teacher heads; consensus is their intersection. These outputs are machine_predicted_unvalidated and are not human labels or direct frontier model labels.

metaresearch head score (Codex)0.000
metaresearch head score (Gemma)0.000
Version: codex-gemma-dda1882f352aValidation status: machine_predicted_unvalidated
Candidate categoriesMeta-epidemiology (narrow)
Consensus categoriesnone
DomainCandidate signal: none · Consensus signal: none
Study designCandidate signal: Simulation or modeling · Consensus signal: none
GenreCandidate signal: Empirical · Consensus signal: Empirical
Teacher disagreement score0.295
Threshold uncertainty score0.999

Codex and Gemma teacher scores by category

CategoryCodexGemma
Metaresearch0.0000.000
Meta-epidemiology (narrow)0.0010.001
Meta-epidemiology (broad)0.0010.001
Bibliometrics0.0020.002
Science and technology studies0.0010.001
Scholarly communication0.0000.003
Open science0.0030.001
Research integrity0.0010.002
Insufficient payload (model declined to judge)0.0000.000

Machine scores (provisional)

The two teacher heads of the student model, read on this work. A score orders the frame for review; it never asserts a category, and the validation status ships verbatim with every row.

Baseline scores from an immature model (maturity gate not passed, 7 training rounds). Scores rank; they never assert a category.

Opus teacher head0.010
GPT teacher head0.241
Teacher spread0.232 · how far apart the two teachers sit on this one work
Validation statusscore_only:v0-immature-baseline · verbatim from the scoring run: score_only means the number may rank works, and no category label ships from it