The Belgian system of party and campaign finance: an analysis from a comparative perspective
Bibliographic record
Abstract
HET SYSTEEM VAN PARTIJ- EN CAMPAGNEFINANCIERING IN BELGIE:EEN ANALYSE VANUIT VERGELIJKEND PERSPECTIEF Hoewel de laatste tijd meer en meer onderzoeken verschijnen, blijft het aantal studies over partij- en campagnefinanciering op internationaal gebied redelijk beperkt. Op nationaal vlak mogen we zelfs stellen dat dit studiedomein onontgonnen gebied is. Dit geeft direct de relevantie van dit doctoraatsonderzoek aan. Tot nu toe is er immers geen uitgebreid onderzoek gedaan dat alle componenten van partij- en campagnefinanciering omvat of dat een typologie opstelt. Ook de Belgische case, haar evolutie en vooral de bedragen in de boekhoudingen van de politieke partijen bleven onaangeraakt. Daarenboven worden nergens verklarende factoren voor het ontwerp of veranderingen van systemen systematisch opgesomd. Het was dan ook het doel van dit doctoraat om deze leemten op te vullen. In het eerste deel van het onderzoek werd daarom een typologie opgebouwd van systemen van partij- en campagnefinanciering, zodat een kader ontstaat waarbinnen systemen van partij- en campagnefinanciering onderling vergeleken kunnen worden. Vanuit dit vergelijkend perspectief werd in de tweede plaats een uitgebreide analyse van het Belgische systeem van partij- en campagnefinanciering, haar praktijk, evolutie en de motivering voor die evolutie gemaakt. De belangrijkste bevindingen uit het onderzoek worden hierna in drie delen besproken: de typologie, de evolutie van de plaats van het Belgische systeem in de typologie en tenslotte de verklarende factoren. Voor de opbouw van de typologie werden alle onderdelen van elk systeem van partij- en campagnefinanciering systematisch in kaart gebracht en ingedeeld in vier clusters van variabelen: de regelgeving betreffende de private inkomsten, deze betreffende de publieke inkomsten, betreffende de uitgaven en tenslotte betreffende de transparantie en controle in het systeem. In elke stap in de opbouw van de typologie werd de werkbaarheid van de typologie getoetst door de actuele situatie van negentien systemen van partij- en campagnefinanciering in de typologie in te voegen. Deze systemen die zijn ingevoegd, zijn de systemen van enkele landen die op het vlak van hun politieke structuur vergelijkbaar zijn met België: OESO-landen waar het staatshoofd en/of de regeringsleider niet rechtstreeks verkozen worden. De uiteindelijke typologie bestaat uit 8 types die elk twee varianten kennen en die elk een naam gekregen hebben. Eén type is duidelijk dominant in deze groep van landen. Negen van de negentien cases zijn een voorbeeld van het type van het basisinkomen, dat alle landen omvat die uitsluitend sterk reguleren op de dimensie publieke financiering, zonder dat ze tegelijkertijd de uitgaven of private inkomsten sterk beperken. Net als bij het principe van het basisinkomen voor burgers, krijgen partijen dus financiële steun van de overheid. Ze mogen ook op andere manieren geld ophalen en er zijn geen voorwaarden verbonden aan de manier waarop ze dat geld uitgeven. Na de bespreking van de evolutie van de regelgeving in België op elk van deze dimensies, werd ook de Belgische case in de typologie opgenomen. In 1970 kende het Belgische systeem enkel regulering op vlak van private inkomsten (fiscale aftrekbaarheid giften aan studiediensten). Daardoor is het Belgische systeem in 1970 en 1975 een voorbeeld van het type van de volledige vrijheid: de partijen worden immers volledig vrij gelaten in de manier waarop ze geld verzamelen en uitgeven. Vanaf de jaren 1980 kwamen er steeds meer vormen van publieke inkomsten bij (fractietoelagen, verbonden instellingen, indirecte financiering), waardoor het systeem in 1980 en 1985 zijn plaats inneemt bij het type van het basisinkomen, wat vandaag dominant is in het grootste deel van de landen die zijn opgenomen in de typologie. Na de introductie van de wet DHoore, die vooral bekend is voor het invoeren van de federale dotatie, schuift het systeem in 1990 inderdaad naar het maximumpunt met betrekking tot de publieke inkomsten. Toch wordt de grootste sprong ten opzichte van 1985 gemaakt op de dimensie van de uitgaven: door de invoering van de strenge beperkingen met betrekking tot de verkiezingsuitgaven. Sinds 1990 kan het Belgische systeem dan ook als een voorbeeld gezien worden van het type van de gebonden subsidie: dit type voorziet naast een sterke regulering inzake uitgaven (vandaar de term gebonden) ook in een uitgebreid aanbod van publieke middelen voor de partijen. Pas in 1995 waren de transparantie en controle-eisen strenger geworden en verschuift het Belgische systeem op de dimensie van de private inkomsten: in 1995 werd beperkt wie er mag geven en vijf jaar later ook hoeveel men mag geven. In 2005 tenslotte, haalt het systeem ook het maximum op de dimensie van de uitgaven, omdat op dat moment ook de third party spending expliciet verboden wordt. Sinds 2000 bevindt het Belgische systeem van partij- en campagnefinanciering zich daarom op het niveau van Canada, dat op alle dimensies sterk reguleert: België is dan een voorbeeld van het type van de gebonden all-in dotatie: partijen krijgen voldoende geld van de overheid, mogen niet elders gaan bijverdienen en moeten zich aan bepaalde voorwaarden houden als ze dat geld willen uitgeven. Wat de bevindingen met betrekking tot de verklarende factoren tenslotte betreft, moeten we vaststellen dat vooral de angst voor corruptie en de stijgende campagnekosten doorslaggevend waren op de belangrijke momenten. Omdat de fractietoelagen in de jaren 70 en 80 niet voldoende waren om de kosten te dekken, gingen de partijen bij bedrijven op zoek naar financiële middelen, wat partijen wel uitermate gevoelig maakte voor corruptie. In 1989 en 1993 beslisten de partijen dan ook om een overheidsdotatie in te voeren en ter compensatie alle giften van bedrijven te verbieden. Toch was het pas nadat deze strenge maatregelen waren genomen dat de grote corruptieschandalen in de pers bekend raakten. Dat doet vermoeden dat het aanpassen van het systeem niet rechtstreeks veroorzaakt werd door het bekend worden van die schandalen, maar dat de politici eerder vreesden dat deze zouden uitkomen en ze zich met deze aanpassingen konden indekken tegen de negatieve reacties van het publiek. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de invoering en verhoging van de federale en regionale dotaties (1989, 1993, 1996, 2001) er gekomen zijn in antwoord op de stijgende campagnekosten die veroorzaakt werden door meer competitieve campagnes en de organisatie van aparte regionale verkiezingen. Wat de strategie van de partijen betreft, blijkt uit het onderzoek dat de kleine partijen in het parlement steeds een groter deel van de overheidsdotatie ontvingen dan waar ze op proportionele basis recht op zouden hebben. Dat maakt dat de controverse die er in de beginjaren was tegen deze overheidsfinanciering stilaan wegebde en plaats maakte voor een brede consensus. Bovenop deze factoren die door de literatuur worden aangeboden, heeft het onderzoek uitgewezen dat er nog een vijfde factor moet worden toegevoegd: de institutionele ontwikkeling van een land, en meer bepaald het proces van federalisering heeft in België een heel belangrijke rol gespeeld. De federalisering creëerde immers een extra opportuniteit om de overheidsfinanciering verder uit te bouwen: elk parlement kon nu immers een eigen fractietoelage invoeren en eventueel zelfs een dotatie.
Fetched live from OpenAlex and de-inverted. Abstracts are not stored in this database: the inverted indexes are 8.6 GB of the frame’s 9.3 GB of text, and the host has 13 GB free.
How this classification was reachedexpand
Full frame distilled prediction
Teacher imitationNot calibrated prevalence, not ground truth. Human validation pending. Learned from the 10,348 direct Codex labels and 10,348 direct Gemma labels. Candidate is the union of thresholded teacher heads; consensus is their intersection. These outputs are machine_predicted_unvalidated and are not human labels or direct frontier model labels.
Codex and Gemma teacher scores by category
| Category | Codex | Gemma |
|---|---|---|
| Metaresearch | 0.001 | 0.000 |
| Meta-epidemiology (narrow) | 0.000 | 0.000 |
| Meta-epidemiology (broad) | 0.001 | 0.000 |
| Bibliometrics | 0.000 | 0.001 |
| Science and technology studies | 0.001 | 0.001 |
| Scholarly communication | 0.000 | 0.000 |
| Open science | 0.000 | 0.000 |
| Research integrity | 0.000 | 0.000 |
| Insufficient payload (model declined to judge) | 0.000 | 0.000 |
Machine scores (provisional)
The two teacher heads of the student model, read on this work. A score orders the frame for review; it never asserts a category, and the validation status ships verbatim with every row.
Baseline scores from an immature model (maturity gate not passed, 7 training rounds). Scores rank; they never assert a category.
score_only:v0-immature-baseline · verbatim from the scoring run: score_only means the number may rank works, and no category label ships from itClassification
machine, unvalidatedMachine predicted; a candidate call from one teacher head, not a consensus.
How this classification was reached, model by model and score by score, is at the end of the page under "How this classification was reached".